TLC-Centraal
ACTAAcademisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam
EBEconomie & Bedrijfskunde
FdGFaculteit der Geneeskunde
FdRFaculteit der Rechtsgeleerdheid
FGwFaculteit der Geesteswetenschappen
FMGFaculteit der Maatschapij- en Gedragswetenschappen
FNWIFaculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
TLC-Centraal
ACTAAcademisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam
EBEconomie & Bedrijfskunde
FdGFaculteit der Geneeskunde
FdRFaculteit der Rechtsgeleerdheid
FGwFaculteit der Geesteswetenschappen
FMGFaculteit der Maatschapij- en Gedragswetenschappen
FNWIFaculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
De Special Interest Group Fair, Resilient & Inclusive Societies (FRIS) is een initiatief van TLC Central (UvA Teaching and Learning Centres) in samenwerking met het Instituut voor Interdisciplinary Studies (IIS). In het verleden is de FRIS-beurs uitgereikt, waarmee FRIS-beurshouders de tijd en ruimte kregen om een onderwijsinnovatie te ontwikkelen in lijn met dit thema. Op deze pagina lees je over de FRIS-projecten die hebben plaatsgevonden.
De UvA zet zich in voor het ontwikkelen van rechtvaardige en veerkrachtige samenlevingen, die het welzijn van alle burgers waarborgen. We leven in tijden van toenemende ongelijkheid en grote sociale, politieke en economische transities. Vooral nu groeit daardoor de vraag: welke rol kunnen wij als universitaire docenten spelen in het begrijpen en aanpakken van zulke urgente kwesties met onze studenten?
Voor meer informatie over de SIG FRIS kun je terecht bij Dr. Mieke Lopes Cardozo, coördinator van de Special Interest Group (SIG) FRIS.
‘Public Intervention’ als onderwijs- en leermethode komt voort uit een interdisciplinair kader waarin de uitwisseling van concepten, ideeën en praktijken van het ene onderzoeksveldveld naar het andere wordt aangemoedigd. De sociale impact van academische kennisproductie heeft hierbij de constante aandacht. Studenten worden gevraagd buiten het klaslokaal ‘interventies’ te ontwerpen in relatie tot de onderwerpen en lezingen van het vak. Vervolgens vraag ik hen van hun publieke interventies verslag te doen met materiaal dat theoretisch en visueel van belang is.
Ik vind het voor studenten Literaire en Culturele Analyse vooral belangrijk om hun creatieve vaardigheden te ontdekken. Daarnaast moedig ik hen aan om na te denken over manieren waarop zij als actieve vertegenwoordigers betrokken zijn bij de samenleving. Studenten worden gestimuleerd te handelen in hun alledaagse leefomgeving en deze te veranderen. Met Public Intervention als leer- en lesmethode worden studenten gevraagd groepen te vormen, en evenementen, situaties en experimenten in de openbare ruimte te organiseren. Hierbij vraag ik hen samen te werken met andere mensen, organisaties en instellingen op het gebied van cultuur en politiek. Dit helpt studenten verdere verbanden te leggen tussen theorie en praktijk en met elkaar samen te werken. Daarnaast leren zij om bruggen te vormen binnen en buiten de academische wereld. Maar ook om op een actieve manier bij het leerproces betrokken te zijn.
Enkele voorbeelden van ‘publieke interventies’ van studenten
In het interdisciplinaire en geïntegreerde seminar Societal Challenges (PPLE, UvA) spreken prominente wetenschappers uit verschillende vakgebieden over mondiale vraagstukken binnen onze samenleving. Van klimaatverandering tot armoede en van de onethische mode-industrie tot dilemma’s met AI-governance. Studenten schrijven ook persoonlijke beschouwingen naar aanleiding van de gastcolleges en reageren op hoe deze mondiale problemen hen en hun gemeenschap beïnvloeden. De laatste jaren ben ik getuige geweest van een toename van nihilisme, wanhoop en negatieve zelfreflecties. Dit kwam naar voren in de beschouwingen die studenten schrijven naar aanleiding van de gastcolleges.
Met deze beurs wil ik studenten gaan ondersteunen bij het verwerken van potentieel onaangename, uitdagende en zelfs controversiële onderwerpen. Ik wil leeractiviteiten ontwikkelen die weerbaarheid opbouwen. Ten eerste worden studenten in staat gesteld zich bewust te worden van hun ingebedde reacties op de uitdagende leerstof. Hierdoor herkennen zij bijvoorbeeld hoe hun niet-cognitieve reacties ontstaan, zoals woede, angst, twijfel en irritatie, en hun betrokkenheid bij de leerstof beïnvloeden. Ten tweede helpen de leeractiviteiten de studenten emotionele veerkracht te ontwikkelen. Dit helpt hen in evenwicht te blijven bij onzekerheid en twijfel, waardoor zij kunnen leven zonder onmiddellijke reactiviteit en oordeel en handelen met zelfcompassie.
Lesgeven en studeren in internationale en etnisch diverse klassen brengt zowel uitdagingen als kansen met zich mee. Met deze beurs zal ik contemplatieve pedagogische praktijken in mijn onderwijs opnemen. Deze verbinden studenten met hun persoonlijke ervaringen en met hun leren. En stimuleren en ondersteunen hen in het verbeteren van het bewustzijn over hun innerlijke wereld. Daarnaast worden ze ondersteund bij het verbinden van het leerproces met persoonlijke ervaringen, waarden en zingeving. Op hun beurt ontwikkelen studenten rijkere en diepere relaties met medestudenten, hun gemeenschap en de wereld om hen heen. Mijn focus ligt op de ‘Cognitieve onderzoeksmethode’, die in tweetallen of groepjes van drie wordt uitgevoerd. Dit gebeurt in twee verschillende vormen: open onderzoek en herhalende vragen.
Dit wordt toegepast in een Research Mastervak, waarbij studenten uit de hele wereld instromen. Voor elke wekelijkse sessie worden specifieke relevante thema’s of vragen ontwikkeld. Na oefensessies sporen we studenten aan schriftelijke aantekeningen te maken over hun reflecties en inzichten, waarmee zij na zeven weken ook een analyseverslag schrijven. Dit analyseverslag vormt één van de klassikale opdrachten ter afsluiting van het vak. Hiermee wordt het potentieel van cognitief onderzoek voor diepgaand leren en voor het versterken van een inclusieve pedagogie onderzocht.
Wij ontwikkelen een inleidend vak over Disability Studies, dat openstaat voor studenten en medewerkers van alle faculteiten van de UvA. Sinds de opkomst in de jaren tachtig, onderstreept Disability Studies dat handicaps en ziektes sociale, historische en vooral veranderlijke verschijnselen zijn. Disability Studies omvat interdisciplinair en transdisciplinair onderwijs en onderzoek naar de geschiedenis, theorie, politiek, technowetenschap en kunst(representatie) van handicaps.
Het FRIS-budget stelt ons in staat om het vak co-constructief en in lijn met ‘Universal Design for Learning principes’ te ontwikkelen. We werken samen met onderzoekers van de UvA en de Disability Studies Foundation in Nederland en met andere individuen en organisaties. Al deze actoren hebben te maken met handicaps door ervaring, onderzoek of werk aan toegankelijkheid. Het doel is om een eerlijke leeromgeving te realiseren die iedereen waardeert. Daarnaast zal deze leeromgeving ‘anders leren’ faciliteren. Het vak draagt bij aan meer zichtbaarheid en begrip voor gehandicaptenvraagstukken binnen de universiteit en daarbuiten. Hiermee wordt een gat binnen het curriculum van de UvA opgevuld.
Het doel van dit project is het identificeren en aanbevelen van de beste werkmethoden voor diversiteit, gelijkheid en inclusie in de klas. Het belangrijkste resultaat van het project is een toegankelijk, levend document dat een handleiding biedt voor lesgeven en leren in een divers klaslokaal. Aanvullend stimuleert het kwaliteitsbeoordelingsproject de gemeenschapsvorming onder studenten. Hun input wordt namelijk meegenomen bij de totstandkoming van het document.
Verder beschouwt dit project verschillen tussen studenten als een verrijking van de leeromgeving. Deze verschillen zien we niet als uitdagingen die moet worden overwonnen. Deze sluiten aan bij de institutionele intentie om ‘verschillen in voorkennis, interesses, identiteit, culturen en behoeften van studenten’ te thematiseren. Daarom wil het project focusgroepen houden met diverse studenten. Op basis van de resultaten worden tastbare en aanbevolen strategieën geleverd voor andere docenten. Deze ‘hand-outs’ stemmen we af op specifieke onderwerpen, afhankelijk van de uitkomsten van de thematische focusgroepen. Elk van de projectleden woont programmabijeenkomsten binnen Communicatiewetenschap bij. Elk van hen zal de hand-outs contextualiseren en de praktische aanbevelingen verder toelichten.
Het project is gericht op een meer inclusieve onderwijsomgeving bij het doceren van onderzoeksmethoden binnen de communicatiewetenschap. Dit leidt tot een betere vertegenwoordiging in het thesisonderzoek van studenten. Bij communicatiewetenschappelijk onderzoek nemen we vaak verschillende sociaal demografische kenmerken op als variabelen. Voorbeelden van deze variabelen zijn: geslacht, gender of genderidentiteit, seksuele oriëntatie, etnische identiteit. We definiëren en analyseren sociaal demografische kenmerken op basis van de gangbare wetenschappelijke literatuur. Deze werkwijze is echter onder de loep genomen en wordt bekritiseerd als niet-inclusief. In sommige van onze lessen hebben onze studenten hun bezwaren geuit tegen het uitsluitende karakter van onze metingen. Het is voor sommige leraren een uitdaging om in deze situaties een duidelijk en geldig antwoord te geven.
Het doel is een reeks hulpmiddelen en richtlijnen te produceren voor een meer inclusieve conceptualisering, operationalisering en analyse van sociaal demografische variabelen. Deze hulpmiddelen en richtlijnen kunnen door docenten worden gebruikt in hun methoden, lessen en scriptiebegeleiding.
Het huidige project onderzoekt hoe de workshop Diversity matters matter, die door Dr. Abacıoğlu is ontwikkeld, kan worden geïntegreerd in een nieuw ontwikkeld vak. Dit nieuwe vak zal Representation in Media gaan heten en introduceert onze Communicatiewetenschappelijke masterstudenten aan de kracht van mediapresentatie voor jongeren. De introductie vindt plaats in de context van identiteitsontwikkeling en in de context van de sociale perceptie van anderen. We bespreken de frequentie, nauwkeurigheid en authenticiteit van mediaportretten. Hierbij nemen we een grote variatie aan gemarginaliseerde sociale groepen en hun effecten mee.
Studenten worden aangemoedigd om na te denken over de parallellen tussen representatie in entertainmentmedia en de positie en behandeling van die sociale groepen in de hedendaagse samenleving. De docenten streven ernaar de individuele ervaringen en standpunten van de student in het vak te integreren. Bewustwording van de eigen positionering is cruciaal bij het voeren van gesprekken over dit onderwerp. De studenten moeten in de discussies gebruikmaken van goed gefundeerde academische argumenten en daarnaast actief luisteren. Daarbij rekening houdend met hun eigen positie en met het algemene publieke debat. Om adequaat te kunnen reageren op tegengestelde ideeën en meningen binnen de discussies, moeten docenten en studenten hun vaardigheden verder ontwikkelen. Wij hopen dat de workshop Diversity matters matter ons bij deze uitdaging helpt. Ten slotte evalueren wij in hoeverre de workshop bruikbaar is voor andere vakken waar studentendiscussies centraal staan.
Wij bieden een tweeledige verbetering en vooruitgang van ons huidige onderwijs over Equity, Diversity and Inclusion (EDI). Deze verbetering bestaat uit het aanbieden van kleinschalige reflectie-uren en uit het introduceren van een buddysysteem. De wekelijkse reflectie-uren creëren een gelegenheid voor de studenten om deel te nemen aan discussies en om individuele reflecties op de leerstof te ontwikkelen. Deze uren helpen ons zo om belangrijke leerdoelen, zoals evaluatie en zelfstandig denken, te realiseren.
Door de invoering van een buddysysteem stimuleren wij de verbinding tussen studenten onderling en tussen studenten en de leerstof. Ten eerste stelt het internationale uitwisselingsstudenten in staat om makkelijker aansluiting te vinden bij lokale studenten en ‘peer support’ te krijgen bij het toetreden tot de UvA-gemeenschap. Internationale uitwisselingsstudenten melden namelijk vaker uitdagingen als het gaat om het gemeenschapsgevoel tijdens hun uitwisselingsperiode. Hierbij krijgen lokale studenten voor de duur van de onderwijsperiode (en wellicht daarna) ook extra peer support van een buddy. Ten tweede biedt het studenten de mogelijkheid om hands-on ervaring op te doen met een werkelijke EDI-interventie. Hierdoor ervaren zij de materie echt vanuit de eerste persoon.
Ons onderwijsdoel is om een discussie over duurzaamheid in globale economische betrekkingen te stimuleren. Deze discussie vindt plaats in een mondiale omgeving met studenten en docenten uit verschillende delen van de wereld. Beleid- en regelgeving ter bevordering van duurzaamheid in wereldwijde handel- en toeleveringsketens, zoals de Green Deal van de EU, worden onbewust vaak op een eurocentrische manier benaderd. Op deze manier wordt de geografische specificiteit van deze beleidsagenda over het hoofd gezien. Ook worden de ongelijke effecten die dit beleid heeft op landen, die zich in verschillende posities binnen de mondiale productieketens bevinden, niet meegenomen. Dit onpersoonlijke perspectief gaat voorbij aan de diepgewortelde koloniale geschiedenis van de wereldhandel. Daarnaast worden de verborgen geopolitiek van duurzaamheid en de negatieve effecten, die kunnen optreden wanneer Europese normen botsen met de lokale realiteit, hierbij genegeerd.
Onze vak Making Markets Beyond the State wordt aangeboden op masterniveau aan de rechtenfaculteit. Het vak leidt tot een beschouwing van deze kwesties in een meer diverse onderwijsomgeving. In wat wij onze ‘Global Classroom’ noemen, sluiten studenten van de UvA zich aan bij (online) delegaties van studenten van partnerinstellingen. Deze partnerinstellingen bevinden zich meestal op het zuidelijk halfrond. We nodigen studenten uit om groepswerk te maken, discussies te voeren en deel te nemen aan seminars. Studiepunten worden hierbij toegekend zoals bepaald door elke universiteit. Professoren van partnerinstellingen treden op als gastdocenten in de mondiale klas. Op deze manier dragen zij bij tot de dekolonisatie van de syllabus van internationaal privaatrecht en economisch recht. Ons project drijft op de overtuiging dat multiculturele- en mondiale leeromgevingen het meest geschikt zijn om deze thema’s te verkennen. Het project kan daarom als pilot dienen voor het ondersteunen van soortgelijke mondiale leeromgevingen aan de UvA in de toekomst.
Het honours-vak Resilient Societies, dat deel uitmaakt van de bachelor Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen, daagt studenten uit om de ‘grote theorieën’ te koppelen aan het dagelijkse (werk)leven. Deze theorieën zijn gerelateerd aan het Antropoceen, veerkracht en aan duurzaamheid. We vragen studenten verworven kennis en hun persoonlijke ambities te ‘gronden’. Door samen te werken met externe partijen ervaren studenten hoe moeilijk het is om te werken aan een weerbaardere, duurzamere en eerlijkere samenleving. Ze worden ook ondersteund in dit proces waardoor ze zich in staat voelen tot zinvolle interventies en interacties.
Vooralsnog hebben we ervaren dat de projecten van studenten van grote waarde zijn voor hun leerervaring en van groot belang voor de partners. Om samen te werken op een manier die nuttig is voor zowel de studenten als de externe partners, proberen we te werken aan een meer evenwichtige leerervaring voor iedereen. Dat doen we door hulpmiddelen en methoden te zoeken, door te praten met collega’s met dezelfde uitdagingen en door mogelijke samenwerkingen met gelijkgestemde docenten te aan te gaan.
Om een inclusieve leeromgeving te creëren zijn er initiatieven nodig vanuit verschillende hoeken. Met de FRIS beurs willen wij graag binnen de opleiding geneeskunde dit doen op drie niveau’s: 1. Bij de studenten 2. Bij de docenten 3. Op de werkvloer. Hierbij baseren wij op het VU Mixed Classroom model.
Op alle niveau’s zouden wij in de eerste plaats willen starten met het creëren van bewustwording van eigen bias & de verschillen binnen iedere groep door gebruik te maken van krachtige onderwijsvormen. Vanuit die basis kan een veilige inclusieve leeromgeving gecreëerd worden met regelmatig teruggrijpen naar die basis om zowel binnen het bestaande mentoraat (voor de studenten), als het bestaande BKO-traject (voor deelnemers/ docenten) voort te kunnen bouwen op elkaar. Op die manier proberen wij doorheen het mentoraat dat 3 jaar duurt alsook het BKO-traject dat 8 bijeenkomsten behelst inclusieve(re) toekomstige artsen als docenten te vormen. Dit betekent dat docentprofessionalisering met aanle(ve)ren van inclusieve onderwijsvormen dat bij het programma hoort bij zowel mentoren, docenten en gezondheidszorgers op de werkvloer op regelmatige basis nodig is om dit te bereiken. Een goede samenwerking met zowel het team van Faculty Development als de coördinator van het mentoraat en mentoren is hierbij van belang.
Het doel van dit project is het ontwikkelen en verbeteren van Community Based Medical Education (CBME) binnen een keuzevak over diversiteit en gezondheidszorg. Het vak zal beschikbaar zijn voor 60 3e jaars bachelor studenten. CBME wordt steeds vaker erkend als een belangrijk middel voor studenten geneeskunde om de expertise voor het verlenen van gezondheidszorg in de 21e eeuw te ontwikkelen. Het plaatst de opleiding in een maatschappelijke context en stelt studenten bloot aan patiënten binnen hun eigen sociale en maatschappelijke omgeving. Het keuzevak richt zich momenteel op onderwijsverbindingen en maatschappelijke integratie. Het doel is om daarnaast ook andere CBME-benaderingen te verkennen. Deze benaderingen bestaan uit participatie in de gemeenschap en burgerinitiatieven, en geven studenten de mogelijkheid om te leren vanuit de gemeenschap.
De FRIS-beurs wordt gebruikt om de beste benadering(en) voor dit vak te bepalen en om de mogelijkheden van CBME bij andere vakken te onderzoeken. Uiteindelijk is het de bedoeling CBME te ontwikkelen en te implementeren in het medisch curriculum om het medische onderwijs en de opleiding te verbeteren.
Mijn FRIS-project richt zich op de rol van cijfers binnen masterprogramma’s aan de Graduate School of Social Sciences (GSSS) van de Universiteit van Amsterdam. Hoewel cijfers in de eerste plaats bedoeld zijn om de voortgang van studenten te evalueren en leerresultaten te meten, functioneren cijfers steeds meer als een doel op zich, wat de creativiteit kan remmen en studenten die minder bekend zijn met het Nederlandse/UvA hoger onderwijssysteem benadeelt. Dit FRIS-project is verankerd in de ambitie om een leven lang lerenden te creëren binnen een eerlijke en inclusieve onderwijsomgeving. Feedback en beoordeling spelen een cruciale rol binnen deze ambitie.
Daarom zal dit project eerst de verschillende feedback- en beoordelingspraktijken evalueren die momenteel gebruikt worden binnen de masteropleidingen van de GSSS. Ligt de nadruk momenteel op formatieve of summatieve beoordeling? Gaat dit gepaard met een overkoepelende en inclusieve pedagogische visie? Werpen de huidige praktijken (onbedoeld) barrières op voor diverse studentenpopulaties? Naast het ‘opmaken van de balans’ hoopt deze fase ook een gemeenschap van docenten buiten de individuele masteropleidingen te identificeren en samen te brengen die zich inzetten voor meer diverse, inclusieve en innovatieve feedback- en beoordelingspraktijken. Ten tweede zal dit FRIS-project een dynamische databank met bronnen opzetten (best practices, praktische methoden, beoordelingsvisies, advies, verdere lectuur, mogelijke samenwerkingspartners en meer) op cursus-, programma-, faculteits- en universitair niveau.
Dit project is gericht op de ontwikkeling van een volledig nieuw keuzevak (voor het academisch jaar 2024-2025) dat masterstudenten laat kennismaken met een meer inclusieve en ecologisch valide methode om onderzoek te doen en/of onderwijs te geven: Participatory Action-Based Research (PAR). Hierin leren studenten waarom het belangrijk is om neurodiverse gemeenschappen als medescheppers te betrekken bij het ontwikkelen van onderzoek en onderwijs voor en over hen. Ze zullen ook worden getraind en uit de eerste hand ervaring opdoen met HOE dit te doen.
In de eerste helft van de cursus maken studenten kennis met het PAR-raamwerk, het belang en de belangrijkste grondbeginselen ervan, en leren ze ook waarom onderzoek op basis van ableïsme, of onderzoek dat stemmen uit de gemeenschap uitsluit, gemakkelijk problemen kan opleveren op het gebied van validiteit (constructvaliditeit, interne of externe validiteit), betrouwbaarheid en repliceerbaarheid.
In de tweede helft van de cursus wordt deze kennis toegepast door studenten in staat te stellen een dialoog aan te gaan met een neurodiverse gemeenschap en een klein PAR-project te ontwikkelen (gericht op onderzoek of onderwijs) in samenwerking met mensen met een geleefde ervaring.
Op een hoger niveau zal de cursus zelf functioneren als een pilot van participatief onderwijs aan de UvA. Tijdens de ontwikkeling van de cursus (academisch jaar 2023-2024) zullen neurodiverse gemeenschappen van studenten worden betrokken bij een kleine pilot om tools en materialen te ontwikkelen die zijn toegesneden op neurodiverse studenten (bijv. door gebruik te maken van blended learning, door in te spelen op zintuiglijke voorkeuren, etc.). Ervaringen met het ontwikkelen (en geven) van deze cursus kunnen dan worden gedeeld met een bredere gemeenschap van docenten die geïnteresseerd zijn in het aanpassen aan een neurodiverse klas.
Hoewel er veel is geschreven over het onderwerp DEI en hoe instellingen DEI-maatregelen definiëren, beperken, implementeren en zelfs disciplineren, richt relatief weinig literatuur zich op organische, bottom-up benaderingen van diversiteit, gelijkheid en inclusie (Kvam, et al., 2018). Bovendien richt de literatuur waarin studentenstemmen centraal staan zich voornamelijk op Noord-Amerikaanse universiteiten (Ashby-King en Hanasono, 2019). Deze studie breidt de reikwijdte van het huidige onderzoek uit door perspectieven van een grote West-Europese universiteit op te nemen, en laat de spanningen zien tussen en onder demografische groepen die grotendeels verschillen van de Amerikaanse context. Op basis van etnografische data van deelname aan activistische studentengroepen, evenals data verzameld tijdens focusgroepen, expliciteert het artikel noties van de Amerikaanse culturele hegemonie binnen diversiteitsperspectieven, waarbij ideeën van studenten als drijvende factor voor verandering worden opgenomen en verspreid (Evans en Lange, 2019). Daarnaast biedt dit artikel een sterke methodologische innovatie over de praktijk van het opnemen van internationale studenten als onderzoekers, informanten en medesamenzweerders in het onderzoeksproces. Het centreert verder de behoeftengroepen van studenten buiten de VS, een belangrijk aandachtspunt in de internationaliseringsliteratuur. Dit artikel suggereert strategieën om diversiteit te doordenken en tegelijkertijd de contextueel verschillende perspectieven van studenten te erkennen.
Met het wetgevings- en beleidspakket van de ‘Green Deal’ gebruikt de EU haar mondiale invloed om zichzelf te positioneren als de belangrijkste regelgever op het gebied van duurzaamheid. Door middel van een reeks initiatieven gericht op bedrijfsmodellen, consumptiepraktijken, handelsstromen, productontwerpen en investeringen probeert de EU een transnationale juridische infrastructuur te ontwikkelen voor een uitgesproken Europese visie op duurzame markten en waardeketens. Het project onderzoekt hoe de door de EU gestuurde juridische infrastructuur van de Green Deal zich verhoudt tot verschillende sociale, economische en geopolitieke contexten langs mondiale waardeketens en de daaruit voortvloeiende pluraliteit van verbeeldingen van duurzaamheid. Wat zijn precies de normatieve en epistemische premissen achter bijvoorbeeld de EU Ontbossingsverordening of de voorgestelde Batterijenverordening, en hoe vertalen die zich naar productielanden in het Zuiden?
Het project bouwt voort op een educatief initiatief waarbij postdoctorale studenten en experts uit het Noorden en het Zuiden betrokken werden in een ‘Global Classroom’ om nieuwe duurzaamheidsvereisten voor geglobaliseerde economische productie te bespreken. Projectpartners zijn de Universiteit van São Paulo, Kenyatta University School of Law in Nairobi en de Universiteit van Turijn/Internationaal Trainingscentrum van de Internationale Arbeidsorganisatie (ITC-ILO).