TLC-Centraal
ACTAAcademisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam
EBEconomie & Bedrijfskunde
FdGFaculteit der Geneeskunde
FdRFaculteit der Rechtsgeleerdheid
FGwFaculteit der Geesteswetenschappen
FMGFaculteit der Maatschapij- en Gedragswetenschappen
FNWIFaculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
TLC-Centraal
ACTAAcademisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam
EBEconomie & Bedrijfskunde
FdGFaculteit der Geneeskunde
FdRFaculteit der Rechtsgeleerdheid
FGwFaculteit der Geesteswetenschappen
FMGFaculteit der Maatschapij- en Gedragswetenschappen
FNWIFaculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
Spoor 2-toetsvormen zijn ongesuperviseerde toetsopdrachten waarbij studenten generatieve AI mogen gebruiken, maar daartoe niet verplicht zijn. In veel gevallen hoeft de leeruitkomst zelf niet te veranderen. Wat wél verandert, zijn het ontwerp van de opdracht en de beoordelingscriteria: die bepalen of, en hoe, AI gebruikt mag worden, terwijl studenten toch nog de beoogde leeruitkomsten kunnen aantonen.
Bij het ontwerpen van AI-robuste opdrachten zijn er vier belangrijke aspecten om rekening mee te houden.
Leeruitkomsten in Spoor 2 leggen doorgaans de nadruk op oordeelsvorming, evaluatie en vakinhoudelijk redeneren. Dit zijn vaardigheden die studenten kunnen aantonen, ook wanneer AI-hulpmiddelen deel uitmaken van hun workflow. De focus verschuift van het produceren van output naar het nemen van goed onderbouwde, verdedigbare beslissingen over die output.
In de praktijk beoordeel je of studenten kunnen:
Over al deze voorbeelden heen is de kernvraag niet: “Heeft de student dit zelf geproduceerd?”, maar: “Kan de student blijk geven van goed vakinhoudelijk oordeel in de manier waarop het werk is ontwikkeld en geëvalueerd?”
Om het leerproces zichtbaar te maken, kunnen studenten worden gevraagd te documenteren of toe te lichten hoe zij met AI-hulpmiddelen hebben gewerkt. Dit is noodzakelijk omdat in ongesuperviseerde settings het eindproduct op zichzelf geen betrouwbaar bewijs van leren meer vormt. Zonder inzicht in het proces is het moeilijk vast te stellen of studenten het beoogde cognitieve werk hebben verricht, of dat zij cruciale stappen hebben uitbesteed.
Opdrachtbeschrijvingen moeten daarom worden aangepast zodat zij expliciet vragen om bewijs over het proces naast het eindproduct. Dit verlegt de focus van wat er is geproduceerd naar hoe en waarom het is geproduceerd, waardoor de redenering, beslissingen en het gebruik van vakinhoudelijke kennis door studenten beoordeelbaar worden.
Studenten kunnen bijvoorbeeld worden gevraagd om:
Om de AI-robustheid van toetsen te vergroten, moeten beoordelingscriteria minder de nadruk leggen op aspecten die gemakkelijk kunnen worden uitbesteed aan AI (bijv. spelling- en grammaticanauwkeurigheid, vloeiendheid en leesbaarheid van teksten, basisstructuur en coherentie, oppervlakkige samenvattingen van literatuur of theorieën). In plaats daarvan zouden beoordelingscriteria zich moeten richten op aspecten zoals:
Instructies zouden verder moeten gaan dan “AI wel/niet toegestaan” en in plaats daarvan:
Vraag studenten om op de volgende vragen te reageren:

